Totale communicatie om je kind te bereiken
Totale communicatie is een methode die ontwikkeld is voor mcg-kinderen en hun ouders en verzorgers. Totale commmunicatie wordt gebruikt bij kinderen bij wie de communicatieve ontwikkeling moeizaam op gang komt en verloopt. De methode wil ouders en verzorgers bewuster leren communiceren met communicatiemiddelen en op een wijze die past bij de mogelijkheden van het kind en de gesprekspartner.
In feite is Totale Communicatie niets bijzonders: wijzelf maken in ons dagelijks leven zonder nadenken gebruik van de communicatiemiddelen die bij Totale Communicatie gebruikt worden. Denk maar aan de pictogrammen die ons op stations de weg wijzen, de gebaren die we maken om wat we zeggen te verduidelijken, onze gezichtsuitdrukking als we boos of blij zijn en onze fotoalbums van de vakantie. Zonder al deze extra’s zou het veel moeilijker zijn om de weg te vinden of duidelijk te maken hoe mooi die camping in Frankrijk was. Wanneer we het hebben over Totale Communicatie als methode voor kinderen bij wie de communicatieve ontwikkeling moeizaam verloopt, bedoelen we dat we bewuster communiceren op een manier of met de communicatiemiddelen die passen bij de mogelijkheden van het kind en zijn gesprekspartner.

MCG-kinderen: een eigen taal
De communicatie van en met mcg-kinderen kan ongelooflijk complex zijn. Elk mcg-kind communiceert op een eigen manier, een manier die in veel opzichten anders is dan de onze. Wij hebben met elkaar afgesproken wat onze woorden, letters en gebaren betekenen. MCG-kinderen kennen deze afspraken niet. Ze kunnen ze vaak ook niet leren. Totale Communicatie biedt elk kind en de mensen in zijn omgeving de mogelijkheid op zoek te gaan naar een eigen manier van communiceren. Er is geen standaardaanpak voor communicatie met mcg-kinderen. Wel zijn er een aantal stappen die u, eventueel samen met anderen, kunt zetten om aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van uw kind.

Alle gedrag is communicatie
Een van de belangrijkste uitgangspunten van Totale Communicatie is dat alles wat je doet communicatie is. Daaronder valt dus onder andere praten, luisteren, plaatjes aanwijzen, een gebaar maken, maar ook alles wat we rekenen onder ‘gedrag’. Een kind dat in zijn rolstoel naar de speelgoedkast rijdt, zendt daarmee een bericht uit. Een kind dat hard gilt ook. Onrustig wiebelen bij een kind dat meestal rustig zit, heeft een betekenis. Ook het feit dat dat kind meestal rustig zit heeft betekenis.

‘Gewone’ communicatie
De meeste mensen beschouwen praten en luisteren als een ‘gewone’ en eenvoudige wijze van communiceren. Praten is een manier om contact te maken, uitdrukking te geven aan je gevoelens, te laten weten wat je wilt en wat je vindt. Luisteren doe je als je wilt weten hoe een ander zich voelt, wat diegene van je wil of wat zijn mening is. Natuurlijk hoort bij geslaagde communicatie ook dat je laat zien hoe je je voelt of wat je nodig hebt en dat de ander kijkt naar wat je laat zien. Soms raak je iets of iemand even aan om iets duidelijk te maken en het lekkere luchtje dat je op doet is misschien wel bedoeld om anderen te laten weten: hier ben ik en ik ben in feeststemming! De manier waarop wij dingen begrijpen, heeft dus lang niet alleen maar met praten en luisteren te maken. Wie ’s avonds om acht uur meegenomen wordt naar een restaurant met een mooi gedekte tafel, weet bijna zeker dat er een warme maaltijd gegeten gaat worden. De gedekte tafel, het restaurant en het tijdstip delen als het ware mee wat er gaat gebeuren. Iets dergelijks gebeurt ook als een collega op een vrijdag in februari met een koffer en ski’s onder haar arm op het werk verschijnt. Die gaat vanavond op wintersport, dat hoeft ze niet te vertellen. Situatie, gedrag, tijdstip, plaats en gebruiksvoorwerpen zijn dus ook van groot belang voor het begrijpen van wat er om je heen gebeurt.

Bewust en onbewust
Bij het kijken naar de communicatieve betekenis van gedrag is het handig om onderscheid te maken tussen onbewuste en (meer) bewuste communicatie. Bij mcg-kinderen moeten de mensen in de omgeving het vaak hebben van signalen die het kind onbewust uitzendt. Het is de omgeving die betekenis geeft aan die signalen. Het kind ziet er bijvoorbeeld moe uit, hangt scheef in z’n stoel of heeft geen trek in eten. Hoewel het kind dit niet doet met de bedoeling om iets duidelijk te maken, kan de omgeving er wel degelijk iets uit opmaken. Een kind dat met de rolstoel bij de deur gaat staan en afwacht of iemand die voor hem of haar opendoet, communiceert al meer bewust door middel van gedrag. Een kind dat uit twee soorten broodbeleg kiest door naar het lekkerste te kijken, maakt bewust gebruik van een gedraging om iets duidelijk te maken.

Communicatieniveaus
Er zijn verschillende communicatieniveaus. Om te bepalen welke manier van communiceren aansluit bij de mogelijkheden van een kind, kijken we naar het communicatieniveau van dat kind.
* Communiceren op situatieniveau
Een kind dat op situatieniveau communiceert, ervaart alleen het moment. Wat geweest is, bestaat niet meer, wat nog komen moet, bestaat nog niet. Alleen de situatie waarin het kind zich bevindt heeft betekenis. Die betekenis ontstaat door de combinatie van prikkels die het kind op dat moment ontvangt. De situatie ‘eten’ bijvoorbeeld bestaat voor het kind pas als het zijn slab omheeft, als het op z’n vaste plek aan tafel zit, de tafel gedekt is, de verzorger naast hem zit, het woord ‘eten’ gezegd wordt en het gebaar gemaakt wordt en als het een hapje eten ruikt, proeft en voelt. Deze combinatie van vooral lichamelijke prikkels zorgt ervoor dat het kind ervaart dat het aan het eten is. Voor sommige kinderen is het eten na ieder hapje voorbij, voor hen is het proeven, ruiken en voelen van het eten de belangrijkste prikkel bij de ervaring ‘eten’. Andere kinderen herkennen de situatie aan de plek, de slab, de verzorgster en het tijdstip. Zij verwachten in die situatie hapjes eten en zullen hun mond al open doen voor ze de lepel op hun lip voelen. Een kind dat communiceert op situatieniveau heeft dus de hele ervaring, alle prikkels nodig om te weten wat er gebeurt. Dat betekent dat het kind niet kan communiceren over die ervaring. Een foto of het gebaar van eten geeft het kind onvoldoende prikkels om de ervaring van eten op te roepen. De foto kun je nu eenmaal niet eten, het gebaar ruikt niet naar stamppot. Het is dus ook niet mogelijk om het kind van te voren met een gebaar of een foto te vertellen dat er gegeten gaat worden. Een kind dat op situatieniveau communiceert, kan alleen in die situatie iets duidelijk maken. En dat kan het alleen door middel van zijn gedrag. Als het het eten niet lekker vindt, zal het kind pas op het moment dat het het eten proeft, ruikt en voelt er iets over kunnen meedelen: het spuugt het eten uit. Een kind dat niet van uitkleden, maar wel van zwemmen houdt, weet pas dat het gaat zwemmen als het in het water is, de zwembadlucht ruikt en de vleugeltjes aan z’n armen voelt. Als het uitkleden wordt ervaren als ‘uitkleden’ en niet als ‘we gaan zo meteen zwemmen’, dan zal het tijdens het uitkleden misschien gaan huilen of gillen: gedrag om bewust of onbewust aan te geven dat die situatie hem niet bevalt. Omdat de meeste mcg-kinderen voornamelijk op situatieniveau communiceren, moet communicatie altijd over de situatie gaan die op dat moment aan de hand is. Communicatie is geen apart ‘schoolvak’ of aparte activiteit voor deze kinderen, maar kan en moet juist plaatsvinden tijdens de gewone (verzorgings)activiteiten.
* Communiceren op signaalniveau
Sommige kinderen kunnen, vaak in enkele bekende situaties, wel mededelingen over die situatie begrijpen. Daarvoor zijn dan wel bijvoorbeeld afbeeldingen, gebaren of enkele gesproken woorden nodig. Die afbeeldingen, gebaren of gesproken woorden zijn dan het signaal dat er zeer binnenkort iets gaat gebeuren. Ze roepen bij het kind een associatie (herinnering) op aan een situatie die ze al vaker hebben meegemaakt. In het begin heeft het kind extra prikkels nodig om het signaal te begrijpen. Het begrijpt dan het gebaar of de foto van eten alleen thuis als de tafel al gedekt is en het etenstijd is. Tijdens een bezoekje aan oma, waar ook de tafel gedekt is, heeft de foto geen betekenis voor het kind. Veel kinderen die wat anderen ze meedelen op signaalniveau begrijpen, zijn er zelf (nog) niet aan toe om met communicatiemiddelen iets duidelijk te maken. Dat is heel gewoon. Ook in de normale taalontwikkeling loopt het begrip voor op het zelf uiten.
* Begrip van gesproken taal
Soms lijkt het alsof een kind alles of veel van wat er tegen of over hem/haar gezegd wordt begrijpt. Hier kan niet zonder meer vanuit worden gegaan. Het is belangrijk om je af te vragen of het gesproken woord alleen voldoende is. Het zou ook kunnen dat het kind de gesproken woorden begrijpt omdat ze deel uitmaken van een situatie. De gesproken woorden zijn dan onderdeel van de prikkels die allemaal samen betekenis aan de situatie geven. In dat geval zal het kind gesproken taal buiten een bijpassende situatie niet begrijpen.
* Communiceren op symboolniveau
Praten is een complexe bezigheid. Afgezien van de motorische vaardigheden die ervoor nodig zijn, vereist het ook een zekere mate van symbolisch denken. Voordat je een woord kunt zeggen, moet je in je hoofd een idee hebben van wat dat woord inhoudt. Wanneer je het woord ‘melk’ uitspreekt, heb je in gedachten een pak melk, een beker melk of een koe voor je gezien. Je hebt die koe of die beker niet in het echt nodig om over melk te kunnen praten of nadenken. Ook een foto of een tekening is geen voorwaarde om het woord melk te kunnen zeggen. Het beeld dat je in je hoofd hebt, is een ‘concept’ of symbool. Veel mcg-kinderen leren niet communiceren door praten. Dat komt doordat ze niet symbolisch kunnen denken en dus niet op symboolniveau kunnen communiceren.

Contact maken
Er zijn nog andere aspecten die invloed hebben op de communicatie. Iedere uitwisseling van informatie begint met contact maken. Soms is contact zelfs de voornaamste reden om met elkaar te communiceren, want bijna iedereen vindt contact op een manier die bij hem past plezierig. Daarnaast vergroot een goed contact de aandacht voor de mededeling en het begrip van de mededeling. Het is daarom belangrijk om er aan het begin van de communicatie voor te zorgen dat u contact hebt met het kind. Maak ook hierbij gebruik van alle mogelijke manieren. Raak het kind aan, kijk het aan en zeg zijn naam. Misschien is er een bepaald geluid, een bepaald voorwerp of een bepaalde geur waarmee u de aandacht van het kind kunt trekken. Geef het kind de tijd om tot zich door te laten dringen dat u contact zoekt. Om het kind te helpen de situatie ‘contact maken’ een volgende keer te herkennen, kunt u het beste altijd op dezelfde manier en in dezelfde volgorde contact maken. Dus: aanraken op dezelfde plek, hetzelfde geluid laten horen, op dezelfde manier zijn naam zeggen. Zorg dat u tijdens de communicatie contact houdt. Soms is het daarvoor nodig het kind te blijven aanraken en aankijken of om de zoveel tijd opnieuw contact te maken.

Sterke kanten
Sommige mcg-kinderen zijn heel visueel of juist heel auditief ingesteld. Ze reageren sneller of makkelijker op dingen die ze zien of op geluiden. Andere kinderen herkennen iets of iemand pas als ze eraan hebben kunnen ruiken of likken. Nog weer anderen hebben het nodig om iets of iemand aan te raken. Misschien weet u dit van uw kind. Maak er gebruik van. Een kind met een goede neus zal de vaste verzorgers misschien makkelijker herkennen of vertrouwen als ze ieder een eigen luchtje dragen. Wie auditief is ingesteld, heeft misschien meer aandacht voor een verzorger met een knisperboekje of een rinkelende bedelarmband dan voor iemand die geen geluid bij zich heeft. Helemaal als uw kind een zintuiglijke beperking heeft en bijvoorbeeld minder goed of helemaal niet ziet of hoort, is het belangrijk om de sterke kanten te ontdekken en te benutten.

Beperkingen
Zintuiglijke beperkingen komen bij mcg-kinderen vaker voor dan bij andere kinderen. Hoe ernstiger het kind gehandicapt is, hoe groter de kans dat het slechtziend en/of slechthorend is. Daarbij komt dat de ernst van de overige handicaps ook bepaalt hoeveel het kind heeft aan het gehoor of het zicht dat hem rest. Om rekening te kunnen houden met een zintuiglijke beperking is het belangrijk om dit te laten onderzoeken bij een gespecialiseerde instelling voor blinden en slechtzienden, bijvoorbeeld Visio of Sensis of bij een instituut voor gehoorgestoorden, bijvoorbeeld de Koninklijke EffathaGuyotgroep of Viataal. Het onderzoek is niet belastend voor het kind. Beperkingen in de bewegingsmogelijkheden kunnen van grote invloed zijn op de communicatie. Juist kinderen die afhankelijk zijn van hun gedrag om dingen duidelijk te maken zijn extra beperkt als ze niet mobiel zijn en geen dingen kunnen aanwijzen. Voor die kinderen is het niet mogelijk om naar de speelgoedkast te lopen of te rijden als ze iets willen hebben. Ze kunnen ook niet aanwijzen welk beleg ze op hun brood willen. Sommige kinderen kunnen leren om met een voet of met hun hoofd iets aan te wijzen. Andere kinderen kijken gericht naar iets wat ze willen hebben. Het is belangrijk dat de mensen in de omgeving van het kind daar alert op zijn, ook al omdat het kind niet altijd mogelijkheden heeft om de aandacht van de verzorger te trekken voordat het ergens naar kijkt. Kinderen die kunnen kruipen, kunnen soms meer duidelijk maken als ze uit de rolstoel gehaald worden dan wanneer ze erin zitten.

Prikkelverwerking
Veel mcg-kinderen hebben een verstoorde prikkelverwerking. Dat betekent allereerst dat ze meer tijd nodig hebben dan andere kinderen om een boodschap tot zich door te laten dringen. Vaak moet de prikkel intenser zijn dan je denkt. Misschien reageert uw kind beter op stevig aanraken dan op voorzichtig aanraken wanneer u contact maakt. Een geluid moet soms harder zijn, een voorwerp om naar te kijken moet vaak feller gekleurd zijn dan je verwacht. Aan de andere kant kan het ook zo zijn dat uw kind last heeft van bepaalde prikkels. Een kind met zogenaamde tactiele afweer houdt er vaak niet van om aangeraakt te worden of om iets in handen te krijgen. Andere kinderen hebben last van licht of geluid dat wij heel gewoon vinden. Bescherm uw kind tegen deze prikkels, ook al omdat uw kind u beter begrijpt en meer duidelijk kan maken als het zich prettig voelt.

Wat kom je tegen?
Ik wou dat mijn kind meer duidelijk kon maken. Ga eerst bij uzelf na hoe goed u uw kind al kent. Welke signalen of combinatie van signalen zendt uw kind uit en welke betekenis hebben die signalen? Let hierbij op gezichtsuitdrukking, houding, bewegingen, lichamelijke verschijnselen (zweten, kokhalzen), geluiden. Het kan helpen om dit op te schrijven en te bespreken met andere mensen die het kind goed kennen. Misschien hebben zij nog andere dingen gezien, of blijkt dat het gedrag van het kind op de ene plek iets anders betekent dan op de andere plek. Noteer ook welk gedrag u wel waarneemt, maar waarvan u de betekenis niet kent en bespreek dit bijvoorbeeld op het kinderdagcentrum. Kan uw kind echt niet duidelijk maken wat het wil? Of begrijpt u uw kind wel, maar uit het zich niet op de manier zoals u zou willen? Een kind dat op situatieniveau communiceert, heeft nu eenmaal alleen heel basale middelen tot zijn beschikking. Omdat het alleen het moment ervaart, moet iets wat het wil direct gebeuren. De toekomst bestaat immers nog niet. Wachten is dus niet mogelijk en zelf iets anders bedenken al helemaal niet.

Wat wil het kind?
Weet uw kind zelf precies wat het wil of voelt? Veel kinderen die op situatieniveau communiceren, maken alleen onderscheid tussen ‘prettig’ en ‘onprettig’. De reden dat iets prettig of onprettig is kennen ze eigenlijk niet en ze kunnen er derhalve niet over communiceren. Er is voor het kind dus geen verschil tussen bijvoorbeeld pijn, kou en honger. Dat valt allemaal onder de noemer ‘onprettig’. Het is dus aan u om te ontdekken of u aan uw huilende kind nog andere dingen opmerkt die kunnen wijzen op de oorzaak van de onvrede. Misschien ontdekt u dat er verschillende manieren van huilen zijn bij de verschillende oorzaken. Of dat uw kind bij pijn in elkaar gedoken zit en bij honger juist rechtop. Onrust of zoekend rondkijken worden vaak opgevat als ‘iets willen hebben’. Dit is inderdaad mogelijk, maar het betekent niet dat het kind ook al weet waarnaar het op zoek is. Soms helpt het om het kind te brengen naar iets wat het mogelijk wil hebben, of het speelgoedje of lekkere hapje te laten zien. Let ook goed op of het kind vaker naar één bepaald voorwerp kijkt dan naar iets anders.

Ongewenst gedrag
Mijn kind vertoont ‘ongewenst gedrag’, zoals gillen en slaan. Als we voortborduren op het uitgangspunt dat alle gedrag communicatie is, komen we erop uit dat ook ongewenst gedrag zoals gillen of slaan communicatie is en dat het kind dus een reden heeft voor dit gedrag. Je zou kunnen zeggen dat dergelijk ongewenst gedrag voortkomt uit ‘communicatienood’. Dat is het onvermogen om op een geschiktere manier iets duidelijk te maken. Dit geldt zeker voor kinderen die op situatieniveau communiceren. De communicatie op dit niveau is niet of weinig bewust en het kind heeft dan ook geen besef van het effect dat slaan of gillen op anderen heeft. Probeer te ontdekken in welke situaties het kind dit gedrag vertoont en welke betekenis het kan hebben. Misschien heeft het ermee te maken dat uw kind niet begrijpt wat er gaat gebeuren of een verandering niet kan overzien. Wellicht voelt uw kind zich niet prettig of heeft het behoefte aan (lichamelijk) contact.

Zich veilig voelen
Hoe zorg ik dat mijn kind zich veilig voelt?
Omdat het zo moeilijk is om aan mcg-kinderen uit te leggen dat ze niet bang hoeven te zijn voor bepaalde heel gewone dingen, is het belangrijk om ze dit te laten voelen. Juist kinderen die weinig van gesproken taal begrijpen, hebben lichamelijke ervaringen nodig om zich veilig te voelen. Ook hierbij is het weer van het grootste belang om te onderzoeken via welke zintuigen en op welke manier u uw kind de boodschap ‘het is hier veilig’ kunt geven. Begin met het wegnemen van onprettige prikkels: er zijn maar weinig kinderen die van veel lawaai houden. Geluiden door elkaar kan uw kind vaak niet van elkaar onderscheiden. Misschien kunt u de radio beter uitzetten. Ook fel licht kan onaangenaam zijn. Bekijk vervolgens welke prikkels prettig zijn voor uw kind. Houdt uw kind ervan om stevig geknuffeld te worden, of onder een zware deken te liggen? Heeft het voorkeur voor een bepaalde stoel? De kans is groot dat u met die deken of die stoel aan uw kind kunt laten weten: hier is het veilig. Bepaalde geluiden of geuren kunnen een gevoel van veiligheid oproepen. Bij geluiden denken we dan aan een bekend muziekje of een cd met baarmoedergeluiden. Geuren zijn ook een belangrijk communicatiemiddel. Misschien is uw eigen geur (uw parfum, maar ook een gedragen hemdje voldoet vaak) genoeg om uw kind te laten weten dat u in de buurt bent. Voor andere kinderen is misschien de geur van een veel gebruikte knuffel of het eigen kussen genoeg om zich veiliger te voelen.

Situaties herkennen
Hoe zorg ik dat mijn kind bepaalde situaties gaat herkennen?
Om er naartoe te werken dat uw kind iets meer grip op zijn of haar leven krijgt en iets meer idee heeft van wat er gaat komen, is het belangrijk dat de (verzorgings)activiteiten die het kind door de dag heen meemaakt, herkenbaar worden. Dat gaat het beste als we op zoek gaan naar zogenaamde ‘eenheid in tijd, plaats, persoon, handeling en gebruiksvoorwerpen’. Hiermee bedoelen we dat bijvoorbeeld een activiteit als verschonen altijd op een vast moment (bijv. na het drinken of eten), op een vaste plek (het rode aankleedkussen met de mobile erboven), door een vaste verzorger, in dezelfde volgorde en met dezelfde middelen (zelfde geur poeder, zelfde liedje zingen) gebeurt. Saai voor u misschien, maar voor uw kind het enige houvast dat het heeft. Hierboven beschrijven we een ideale situatie. In de praktijk is dat natuurlijk niet altijd haalbaar. Misschien kunt u dan proberen in ieder geval een paar vaste dingen in het oog te houden, bijvoorbeeld het rode kussen, hetzelfde poeder en het vaste liedje. Probeer daarbij uit te gaan van de sterke kanten van uw kind.

Hoe uitleggen?
Hoe kan ik mijn kind uitleggen wat er gaat gebeuren?
Wanneer uw kind bepaalde situaties lijkt te herkennen (zie boven), gaat het mogelijk ook de opeenvolging van situaties herkennen. Het weet: na het drinken gaan we altijd naar buiten. Nu is het niet alleen meer belangrijk om één activiteit (bijvoorbeeld verschonen) op dezelfde manier uit te voeren, maar ook dat er een vaste volgorde is van de activiteiten na elkaar. Zo weet uw kind wat het kan verwachten en dat geeft veel houvast. Het kan helpen om een vast dagprogramma te maken, of in ieder geval een aantal activiteiten elke dag op een vast moment of in een vaste volgorde te laten terugkomen. Het is ook mogelijk dat uw kind inmiddels koppelingen heeft leren maken tussen een voorwerp en een activiteit, een persoon en een activiteit of een liedje en een activiteit. U merkt misschien dat uw kind al naar de tafel rijdt of kijkt als u het gebaar voor drinken maakt en de beker laat zien. Of dat het naar de deur kruipt als u het liedje ‘Naar buiten’ zingt. Zo is de beker of het liedje de ‘aankondiging’ geworden voor wat er komen gaat.

Overgangen
Mijn kind heeft moeite met de overgang van de ene naar de andere activiteit. Voor kinderen die moeite hebben met overgangen is het belangrijk dat elke activiteit een duidelijk einde heeft. Vertel uw kind in ieder geval dat de activiteit ‘klaar’ is en maak hierbij zelf of samen het gebaar voor ‘klaar’. Het kan ook helpen om na iedere activiteit (samen) het licht uit te doen in de ruimte, of een bepaald geluid te laten horen (belletje, rammelaar). Als u de activiteit heeft aangekondigd met bijvoorbeeld een voorwerp, ruim dit voorwerp dan na de activiteit (samen) op, op een vaste plek. U hoeft dit niet allemaal te doen, het gaat erom dat elke activiteit op dezelfde manier afgesloten wordt. Aankondigen van een volgende activiteit kan veel duidelijkheid geven. Omdat de toekomst voor veel mcg-kinderen nog niet bestaat, hoeft dit niet altijd. Voor deze kinderen is het belangrijker dat de dingen die ze meemaken (eten, verschonen, in de bus) zo herkenbaar mogelijk zijn.

Afbeeldingen helpen
Foto’s, pictogrammen en andere afbeeldingen zijn voor veel mensen die niet (goed) kunnen praten of lezen en geweldig hulpmiddel. Het is echter niet zo makkelijk als het lijkt om deze stilstaande beelden als communicatiemiddel te gebruiken. Allereerst is het van belang dat de afbeelding goed waargenomen wordt. Om een afbeelding te herkennen moet je behoorlijk goede ogen hebben, niet kleurenblind zijn en hoofd- en bijzaken op het plaatje van elkaar kunnen onderscheiden. Bovendien is een foto (pictogram, tekening) iets heel anders dan het echte ding. Ga maar eens na hoeveel verschillen er zijn tussen een foto van een banaan en een echte banaan. De foto ruikt niet naar banaan, voelt niet als banaan, proeft niet als banaan, hij is plat, hij is glad, hij is misschien groter of kleiner dan de echte banaan, je hoeft je slab er niet bij om etc. Voor kinderen die op situatieniveau communiceren zijn afbeeldingen of symbolen niet geschikt. Deze kinderen hebben enkel aan het zien van een foto niet genoeg. Zij hebben meer, verschillende prikkels nodig om een situatie te herkennen. Een foto gaat over het eten van een banaan, maar is niet het eten van de banaan. Om te kunnen communiceren met afbeeldingen is minstens communicatie op signaalniveau nodig. Hoe makkelijk en fijn het ook is als een kind met afbeeldingen kan communiceren, begin er alleen mee als u zeker weet dat ze uw kind iets zeggen. Dat voorkomt een hoop frustratie en misverstanden.

Communicatieboek
Welke toepassingsmogelijkheden van communicatiemiddelen zijn er? Een communicatieboek bijvoorbeeld. Dit is een map met afbeeldingen (foto’s, pictogrammen, getekende plaatjes) van onderwerpen die voor het kind van belang zijn. Vaak worden de afbeeldingen in categorieën ingedeeld, zoals personen, activiteiten, zelfverzorging etc. Het kind, maar ook de mensen in de omgeving kunnen de afbeeldingen aanwijzen om iets te vertellen of een keuze te maken. Met behulp van een communicatieboek is het vaak makkelijker om contact te maken en te houden en het gesprek op gang te houden.

Communicatiebord
Op een communicatiebord kan met behulp van afbeeldingen (foto’s, pictogrammen, getekende plaatjes) of (verkleinde) voorwerpen het programma voor een dag(deel) of enkele dagen worden vastgelegd. De gebruiker kan zien wat hij gaat doen, in welke volgorde en ook nog welke activiteiten er al geweest zijn. Afbeeldingen van activiteiten die voorbij zijn of niet doorgaan worden met een rood kruis overdekt.

Bedjesschema
Om een kind voor te bereiden op een bijzondere gebeurtenis, zoals een verjaardag, kunt u gebruik maken van een bedjesschema. Elke nacht dat er nog geslapen moet worden wordt verbeeld door een getekend bedje. Elke ochtend wordt er één bedje afgekruist. Op de dag van de verjaardag staat er een afbeelding van een taart en een foto van de jarige, versierd met feestmuts of slingers. Leuk, al die ideeën, maar ik heb het al zo druk. Het opvoeden en verzorgen van een mcg-kind kost veel tijd en energie. Het is dan ook niet de bedoeling dat Totale Communicatie uw taken verzwaart. We hopen dat het bovenstaande u helpt bij het vinden van een manier van communiceren met uw kind die bij u allebei past. Daardoor krijgt u wellicht beter of makkelijker contact met uw kind en wordt het plezier in communiceren vergroot. Misschien begrijpen jullie elkaar beter en sneller. Misschien begrijpt u het (lastige) gedrag van uw kind beter of neemt dat gedrag zelfs af. Gebruik uit dit hoofdstuk wat u geschikt lijkt voor uw kind en uzelf. Veel plezier!

Kirsten Olofsen, communicatiedeskundige Augustus 2005
Bron bosk.nl